Standenmaatschappij nooit weggeweest

Sinds het rapport van de Onderwijsinspectie, De Staat van het Onderwijs, is verschenen, buitelen artikelen over het selectiemechanisme in het onderwijs over elkaar.
Hieruit blijkt dat kinderen van lager opgeleide ouders minder vaak doorstromen naar vormen van hoger onderwijs, dan kinderen van ouders met een hogere opleiding. De kloof is zelfs de afgelopen jaren alleen maar groter geworden, zo blijkt uit het rapport.

Dit zou de schuld zijn van het afschaffen van de Cito-toets als basis voor het advies voor vervolgonderwijs. Het is de schuld van de vroege selectie: al op 12 jarige leeftijd moet een kind kiezen tussen VMBO, Havo of VWO of Gymnasium. Het is de schuld van sociaal leenstelsel dat vanaf augustus 2015 is ingevoerd.
Deze instrumenten maken allemaal onderdeel uit van het toegankelijk maken van het onderwijs voor iedereen. Al gauw gaat het dan om gelijke kansen.
Tuurlijk op papier lijkt het alsof iedereen in ons land gelijke kansen heeft. Maar gaat het hier wel om gelijke kansen? Gaat het niet veel meer om gelijkwaardigheid?

De tijd ligt nog niet zo lang achter ons, dat kinderen van de dominee, dokter en notaris en een beetje geluk dat van de hoofdonderwijzer, voorbestemd waren voor de “hogere” vormen van onderwijs. De ULO/ Mavo was voor arbeiderskinderen al een hele prestatie.
Sinds de jaren zestig heeft de emancipatiegedachte de overhand gekregen en was “gelijke kansen voor iedereen” het uitgangspunt.
De inzet was om kinderen ongeacht hun achtergrond de best mogelijke opleiding te geven. Maar is dit ooit echt gelukt?

Wie wel eens heeft gekeken naar de uitstroom van leerlingen, zal vast opgemerkt hebben dat er door de jaren heen altijd grote verschillen zijn blijven bestaan. Hoe vaak is het niet voorgekomen dat een kind uit Zuidhorn, een dorp met veel hoogopgeleide ouders, met een Mavo advies uiteindelijk toch een Havo/VWO diploma behaalde? Dit dankzij de inkoop van extra begeleidingsuren bij huiswerkinstituten door de ouders. Terwijl een kind uit een dorp als Houtigehage, waar veel lager opgeleiden wonen, soms heel sterk in z’n schoenen moest staan, als deze met een Havo advies, na schooltijd het huiswerk maakte; de vriendjes buiten speelden en werd uitgemaakt voor “studiebol”. De sociaal culturele achtergrond waarin kinderen opgroeien heeft dus ook een grote invloed op de schoolloopbaan van kinderen.

In de media wordt over de kloof in het onderwijs het aspect van de verschillende sociaal culturele achtergronden en wat je van daaruit meekrijgt, te weinig besproken.
De toegankelijkheid van het onderwijs kan nog zo goed zijn, als de culturele dragers, waarden en normen niet bespreekbaar zijn, niet mee veranderen, zal er altijd een barrière zijn. De dominee, dokter en arbeider worden dan vervangen voor “hoger opgeleiden” en “lager opgeleiden”. Feit blijft dat een tweedeling in de maatschappij blijft bestaan.

De samenleving zou erbij gebaat zijn, als we de impliciete boodschappen die in deze discussie zitten, zouden mogen en kunnen benoemen. Bewustwording van deze belemmeringen is stap één in de verdere emancipatie in onze samenleving.
Een tweede punt dat wordt gemist in de huidige discussie, is de nog alom tegenwoordige, ook hier impliciete, boodschap dat een universitaire opleiding meer van waarde is dan een MBO-opleiding. Een nog te zetten stap is de gelijkwaardigheid tussen de verschillende opleidingen en beroepen. We zeggen vaak dat een goede vakman heel wat waard is, maar in de onderwijsdiscussie komt de waarde van het vakmanschap niet tot uitdrukking.

Niet iedereen is gelijk, en dat moet ook niet het streven zijn. Wel zijn we allemaal gelijkwaardig en heeft iedereen recht op de ontwikkeling van haar of zijn talenten, ongeacht de plek waar ooit z’n wieg heeft gestaan. En eventuele belemmeringen, structurele of culturele, moeten zoveel mogelijk worden weggenomen.

Jaap Munniksma
Trees Flapper
PvdA Smallingerland